Voorwoord

Jopie Jonkers vertelt…

Mijn vader was wat je zou kunnen noemen een zwierig figuur vol fantasie. Dat had hij ongetwijfeld van zijn vader die vioolspelend van de trap af kwam om oma’s hart te vermurwen. Waarom dat moest gebeuren werd er natuurlijk niet bij verteld. Ons pap is jammer genoeg veel te vroeg overleden maar van hem erfde ik ongetwijfeld m’n avontuurlijke aard ,vandaar misschien dat ik de ongewone beslissing durfde te nemen om van de muziek te gaan leven – Mijn moeder zou ik eerder omschrijven als een innig goede en standvastige vrouw met veel relativerende humor, en gelukkig maar, want met twee dromers kom je niet ver.

Langs beide kanten werd muziek gemaakt in de familie. Mijn ooms van vaders kant zongen en speelden allemaal gitaar, ons pap zelf trouwens ook, ons mam had een accordeonspelende broer, en zijzelf zit nog altijd te zingen en te neuriën , en hoewel ze altijd beweert “ ik kan niet zingen” heb ik haar nog nooit op een valse noot betrapt.
Bij ons thuis – we waren met z’n vijven- werd er steevast gezongen en vooral de afwas bleek het ideale moment om onze meerstemmige stukjes uit te proberen, specifiek met mijn zus Frankie. Dat ging vanuit de prachtige oude Nederlandse liederenschat (Er is een roos ontsprongen…), kerstliederen en ‘n laatste glimp van het nu helaas verdwenen Gregoriaans tijdens de kerkdienst – En dan natuurlijk de smartlappen van die tijd, verder Piaf en de Pointer Sisters, Fats Domino enz. We hadden ook een langspeelplaat met commerciële Zuid-Amerikaanse muziek, gespeeld op hammond orgel ( met o.a. Perfidia, Aquellos ojos verdes ). Op m’n twaalfde kreeg ik na lang aandringen een gitaar van ons mam. Waar ik verwoed op oefende , ons ome Gijs had mij het C en G akkoord geleerd – Hang down your head, Tom Dooley!

Door een klasgenote kwam ik in contact met Guy Roelofs en Hans Roosen en daar kwam op den duur een optreden van in het Dr. Knippenberg College. We zongen een typisch voor die tijd wat zoet repertoire – Donna Donna, I can’t keep from cryin’ enzovoort .
En toen is het feitelijk begonnen want daar werd ik gevraagd voor ’n ander optreden waar ik niet alleen naar toe durfde, ‘k was pas 15 jaar, dus heb ik mijn zus Frankie meegenomen en mijn gitaar. Dat was in “Het Kot” in Beek & Donk . Dat werd daarna een beetje een vaste stek voor ons. Toen werd ik via Antoinette Smits, mijn school- & hartsvriendin, gevraagd met een symphonische rockgroep te zingen, Poemfield II , waar ik een tijdje bij verbleef. Daarin zat ook een van de latere gitaristen van Deirdre, Henk Jansen , en ook Theo van Eenbergen, die de nummers toen schreef. Later was er sprake van de oprichting van Deirdre en Rob van Eekeren stelde me voor als zangeres. Aangenomen!! Dat was een avontuurlijke tijd met o.a. Ad van Meurs, Geert Hoes en Frank (Ollie) Overzier. Deirdre was, met Fungus, de eerste electrische folkgroep in Nederland, vandaar die legendarische status nu. We namen een LP op in 1976. En het was daar dat ik ook Pieter Thijssen leerde kennen, gitarist en muziekinstrumentenbouwer, waarmee ik een maandenlange trektocht naar Bretagne ondernam met een pony en een huifkar. Daarna trokken we samen in bij ’n merkwaardige figuur, Juan Reinier da Montagne in Geldrop, waar ook de gitaarbouwer Theo Scharpach kind aan huis was, en waar ik het geluk had de grote Eduardo Falú te ontmoeten.
Na enige jaren met vele optredens kregen we genoeg van al dat electrisch geweld en richtten we Pegasus op, dezelfde muziekstijl maar dan wel acoustisch. Daar hebben we ook enkele jaren mee doorgebracht en een LP mee opgenomen in 1978.

Derek Bell, de harpist van de Chieftains zag ik ooit aan het werk in Ierland, en hij maakte een blijvende indruk op mij. Vandaar wilde ik harp leren spelen, in het acoustische geluid van Pegasus zou dat heerlijk klinken dacht ik – En zo heb ik bij Da Montagne mijn eerste harp, ‘n Iers model , in elkaar gezet. Maar eer die klaar was viel Pegasus uit elkaar. Toch was ik zo geïntrigeerd dat ik wegwijs wilde worden op het instrument. Emilio de Vlam, ooit gitarist bij Pegasus, speelde toen met Kenneth Ecury , een harpist uit Aruba – Bij hem ben ik toen les gaan volgen, en dat werd voor mij een openbaring.
Ik wist nauwelijks dat Zuid-Amerikaanse muziek bestond, en hij trok zich van m’n Ierse aspiraties niets aan. Hij sleurde mij op ’n krachtige doch weldadige manier binnen in de rijke Latijnse muziekwereld, waarop ik als een bezetene aan het studeren sloeg. Toen heeft Pieter voor mij een Venezolaanse en later een Paraguayaanse harp gebouwd. Na enige maanden verdween Kenneth abrupt uit Nederland , maar ondertussen hadden Pieter en ik, als Duo Arpa, een langdurig engagement in ’n Mexicaans restaurant waar ik feitelijk m’n eerste stappen heb gezet als zangeres-harpiste in de Zuid-Amerikaanse stijl.

We schrijven 1983. Op een dag kwam Theo Scharpach binnen met Harry Sacksioni, die op zoek was naar ’n zangeres “met bij-instrument” voor z’n komende tournee. Ik zong enkele stukjes en Harry vond het “helemaal geweldig”. En zo heb ik dan het wel en wee van een professionele tournee, 56 optredens in drie maanden !! leren kennen. Ik vond het heerlijk, en het gaf voor mij de doorslag om m’n verdere leven in de muziek door te brengen. Na de tournee begon ik een duo met de Argentijnse gitarist Daniël Fanego. Ondertussen was ik, met hulp van Pieter en Theo, een 150 jaar oude “Erard” aan het restaureren, en zo maakte ik voor het eerst kennis met de harmonische mogelijkheden van de klassieke dubbelpedaalharp.

Eind december kregen we het bezoek van enige heren uit België , waaronder ene Koen de Cauter , die ik in 1980 aan het werk gezien had met het toen reeds fameuze Waso Quartet .
Na enige bezoeken aan België, onder andere op de Gentse feesten waar er altijd gejamd werd, met o.a. Jaques van de Velde en Herman Schamp, kwam er een voorstel om enkele optredens te doen in Leuven, en dat was het begin van de groep Caminando. Met die groep namen we een cassette en een LP op, en deden we een twijfelachtige gooi naar “het succes”als kandidaten voor de prijs van de Baccarabeker in 1985, en verder vele optredens door België en Nederland . In die tijd verdiepte ik mijn interesse voor de rurale muziek van Atahualpa Yupanquí , van Edurdo Falú en Jorge Cafrune, een schat aan muziek en poëzie die jammer genoeg zo weinig aan bod komt.

Maar mijn interesse in het franse chanson is ook altijd levend gebleven en in 1989 werd een optreden op een wijnfeest de aanleiding tot een theaterproject, getiteld “Le ballet des coeurs”, met als bassist Rinus Raaijmakers, pianist Hein Mandos en de acteur Stefan Jung. De rode draad werd “Meningen van een clown” van Heinrich Böll .
Ondertussen kwam de geboorte van m’n twee zonen, en daarmee ook een tijd van introspectie. Ik besloot naar het conservatorium in Tilburg te gaan en een opleiding te volgen als zangpedagoge. Wat ik dan ook gedaan heb, en op mijn eindexamen werd ik begeleid door o.a. Rony Verbiest en Koen de Cauter. Cum Laude uiteraard! Aansluitend werd ik docente aan de muziekschool van Dongen.

Naast de LP van Caminando maakte ik nog opnames en verzorgde concerten met: Duo Arpa (met Pieter) , in 1982 met Gerard van Maasakkers op de LP “Onderwege” bij Munich Records voor producer & platenbaas Job Zomer, Harry Sacksioni met het programma “Schaduwen” , The Watchman (Ad van Meurs) , met The Swingcats (jazz, met Frank Roberscheuten, en de helaas te vroeg overleden befaamde Australische trompettist/saxofonist Tom Baker) en met The Jeggpap Jazzband. Verder optredens met o.a. Lenny Kuhr, Fapy Lafertin, Dick van der Harst, Tcha Limberger en Lollo Meier. Daarnaast ook opnames en uitzending op de VRT (België) van concerten met de familie de Cauter in “ De Passie van de Ketter”. Ondertussen was ik geselecteerd geworden voor de Pall Mall Export Swing Award in 1985 . En in 2005 was ik harpiste van de Prom concerten in Nuenen .
In 1997 werd ik opnieuw in contact gebracht met Job Zomer van Munich Records die ons ’n Cd liet opnemen onder de definitieve naam van de Jopie Jonkers Groep. In een relatief weinig wisselende bezetting, met als ruggegraat Koen de Cauter , Rinus Raaijmakers en Willy Seeuws namen we sindsdien drie Cd’s op te weten: “Así soy yo “, “El alma tira p’atrás”en “Moriré en Buenos Aires”.

En in 2005 vroeg Koen de Cauter mij als zangeres voor nieuwe opnamen en optredens met Les P’títs Belges, waarvan de Cd “Chanson” onlangs is verschenen (mei 2006).

De muzikale traditie thuis wordt verder gezet want mijn oudste zoon Luuk speelt nu contrabas en gitaar in een band en Pieter is naast zijn werk als gitaarleraar en muzikant bezig met het bouwen van harpen.
Tussendoor schreef ik, samen met Inge Frimout een methode voor Zuid-Amerikaanse harpmuziek voor alle harpen, die in 2005 is verschenen.

En zo blijven we al die tijd spelen voor een langzaam maar zeker groeiend trouw publiek en geloof me het is iedere keer weer een heerlijk gevoel om het enthousiasme van onze luisteraars mee te mogen maken.