Op een dag vroeg Koen De Cauter me:

"Wat is stijl, waarover hebben we het precies wanneer we dat woord in de mond nemen?"Een niet alledaagse vraag, waar ik niet zo dadelijk een helder antwoord op kon geven, en het kwam tot een gesprek tijdens hetwelk zich nog meer vragen naar de oppervlakte drongen, die zich op die ene fundamentele stapelden: wat is stijl?

Maar, al zijn we allebei muzikanten die een lange weg hebben afgelegd waarbij stijl onze enig ware meester was, we zijn er niet uitgeraakt. Het bleef bij gissingen en overwegingen: "Is stijl een illusie, het spiegelbeeld van een stuk leven waarvan we de genese zelf trachten te bepalen en waar we steeds verder aan slijpen, in de hoop ooit het mysterie te kunnen aanraken, zoals we nu de snaren van onze instrumenten beroeren, steeds met die lichte verwondering om de klanken die ze voortbrengen, zoals we het wonderlijk blijven vinden dat de sneeuw telkenjare weer wit is?"

Koen De Cauters vraag en het gesprek dat erop volgde schoten me weer te binnen terwijl ik deze opnamen beluisterde. Koen en de zijnen werken al heel wat jaren regelmatig samen met
Jopie Jonkers, en het is altijd een zeer vruchtbaar 'huwelijk' geweest. Want uiteindelijk hebben ze het over
hetzelfde:

 




De ambachtelijke benadering, waarrond hun hele visie is opgebouwd; nooit 'zomaar iets' doen, maar telkens weer op zoek gaan naar de kern. zonder daarmee iets te willen bewijzen.

Voor deze CD hebben ze zich enkel aan Zuid-Amerikaanse muziek gewijd. Een rijke, veelgelaagde traditie, die ze met respect (zelfs met een zekere afstandelijke schroom) benaderen, maar waar ze, langs hun eigen aanvoelen van het poëtische gegeven, bijzondere kleuren aan toevoegen. Met andere woorden: ze spelen niet zomaar 'leuke Zuid-Amerikaanse liedjes', maar vertolken op hun manier het wezen van een levende traditie.
Het resultaat straalt een soms bijna naïeve warmte uit, die zonder omwegen op de toehoorder afstraalt.

Jopie Jonkers en haar gezellen - stuk voor stuk fijne muzikanten - tonen ons een bonte waaier stemmingen en sferen, gaande van de uiterste eenvoud van het revolutionaire "Cielo de los Tupamaros" tot de duistere kronkels van "Vamos, Nina!", over de vrouw die door een tedere doodsengel uit de poel van de prostitutie wordt gered.Toon voor toon, woord voor woord, bereiken ons deze liederen, met hun troost en hun warme adem van een sereen, diep verankerd stijlgevoel.

Wannes Van de Velde-november 2002